Skip Navigation LinksHome News Legal Alerts & Newsletters

November 2011

Legal Alert - Werkgeversaansprakelijkheid en de verzekeringsplicht (Dutch only) 

download

Inleiding en achtergrond

Artikel 7:658 BW regelt de aansprakelijkheid van de werkgever voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. De werkgever is voor deze schade aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij zijn zorgplicht is nagekomen of de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Indien de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan, is hij niet voor de schade van de werknemer aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW. Er is sprake van een schuldaansprakelijkheid, geen risicoaansprakelijkheid.

Naast deze algemene wettelijke regel heeft de Hoge Raad, bij wijze van jurisprudentiële aanvulling op de zorgplicht ex artikel 7:658 BW, in 2008 beslist dat een werkgever verplicht is te zorgen voor een behoorlijke verzekering tegen schade die werknemers in de uitoefening van hun werk zouden kunnen lijden als gevolg van een verkeersongeval, waarbij zij als een bestuurder van een motorvoertuig betrokken kunnen raken. Deze regel is ingegeven door de gedachte dat de werkgever nauwelijks zeggenschap heeft over hetgeen tijdens verkeersdeelname van een werknemer gebeurt, zodat het bepaalde in artikel 7:658 BW bij dat soort ongelukken zelden soelaas zal bieden. Later is deze regel uitgebreid tot werknemers die (i) als fietser of voetganger schade lijden als gevolg van een ongeval waarbij een voertuig is betrokken of (ii) als fietser schade lijden als gevolg van een eenzijdig fietsongeval. Deze verzekeringsplicht volgt uit het beginsel van goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW. Heeft de werkgever nagelaten een dergelijke verzekering voor verkeersongevallen af te sluiten, dan is hij aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval tot het bedrag dat door zo'n verzekering zou zijn gedekt. Dat geldt dus ook en juist als de werkgever geen schuld heeft aan het ongeval.

Naar aanleiding van de zojuist genoemde rechtspraak uit 2008 is de vraag opgekomen of de daarin aanvaarde verzekeringsplicht niet nog verder moet worden uitgebreid. In dat verband is wel bepleit dat niet goed valt in te zien waarom verkeersongevallen wel onder een verzekeringsplicht zouden vallen, terwijl de werknemer terzake van andere aan het werk verbonden risico's niet verzekerd behoeft te worden zodat hij daaruit voortvloeiende schade slechts zou kunnen verhalen wanneer de werkgever terzake van het ontstaan daarvan een verwijt valt te maken. In de lagere rechtspraak is om die reden wel een verzekeringsplicht aangenomen voor de schade die een werknemer van een supermarkt leed ten gevolge van een roofoverval. In de literatuur is zelfs gepleit voor het aanvaarden van een algemene verzekeringsplicht voor alle aan het werk verbonden gevaren, juist omdat het erg arbitrair zou zijn om terzake van bepaalde verkeersongevallen wel een verzekeringsplicht aan te nemen en die terzake van andere, minstens net zo grote aan het werk verbonden risico's, niet te aanvaarden.

 

De zaken: TNT Post en Rooyse Wissel

In de eerste zaak waarin de Hoge Raad op 11 november jl. arrest wees, ging het om de vraag of de werkgever op grond van goed werkgeverschap (ex artikel 7:611 BW) ook gehouden is om een verzekering af te sluiten in geval van een eenzijdig voetgangersongeval. Het ging in deze zaak om een postbode van TNT die bij het bezorgen van de post was uitgegleden. De Kantonrechter te Utrecht had in deze zaak inderdaad, in het verlengde van de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad, een verzekeringsplicht op grond van artikel 7:611 BW aangenomen. Op verzoek van TNT werd daartegen door De Brauw sprongcassatie ingesteld.

In de tweede zaak – waarin het ging om een socio-therapeut in een TBS-kliniek die door een TBS-patiënt was mishandeld en daardoor letsel had opgelopen – lag de vraag voor of de verzekeringsplicht die voor verkeersongevallen is aangenomen ook geldt voor "reguliere" arbeidsongevallen op de werkplek. Het Gerechtshof te Den Bosch had die vraag bevestigend beantwoord en beslist dat de TBS-kliniek, zo een dergelijke verzekering afgesloten kon worden, inderdaad als goed werkgever gehouden was om het risico van geweldsincidenten door middel van een verzekering af te dekken. Het arrest van het Hof Den Bosch was dus een voorbeeld van een verstrekkende uitbreiding van de verzekeringsplicht. Ook in deze zaak ging De Brauw voor de werkgeefster in cassatie.

 

Oordeel Hoge Raad in beide arresten

De Hoge Raad is in beide zaken op de rem gaan staan terzake van de verzekeringsplicht van de werkgever op grond van artikel 7:611 BW. De Hoge Raad is niet bereid om die verzekeringsplicht verder uit te breiden dan in eerdere rechtspraak is aanvaard.

In het TNT-arrest overweegt de Hoge Raad dat uit zijn eerdere rechtspraak volgt dat de door hem, op grond van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW), aanvaarde verzekeringsplicht slechts betrekking heeft op schade die werknemers lijden in de uitoefening van hun werkzaamheden als deelnemer aan het wegverkeer, wanneer zij (i) als bestuurder van een motorvoertuig het slachtoffer worden van een verkeersongeval, (ii) als fietser of voetganger betrokken raken bij een ongeval waarbij een voertuig is betrokken, of (iii) als fietser een eenzijdig ongeval krijgen. Naar het oordeel van de Hoge Raad hangt de verzekeringsplicht in de genoemde drie gevallen samen met de bijzondere risico’s van het wegverkeer. Volgens de Hoge Raad dient een eenzijdig voetgangersongeval buiten deze reeds afgebakende categorie verkeersongevallen te blijven. Hiertoe overweegt de Hoge Raad dat struikelen of uitglijden niet als een bijzonder risico van het wegverkeer kan worden aangemerkt. Zo een ongeval kan de werknemer ook binnen de vier muren van de werkplek overkomen en dan is er, tenzij de werkgever een verwijt gemaakt kan worden, ook geen aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW. Er bestaat dan ook geen goede reden voor een verdergaande bescherming van de werknemer voor struikelen of uitglijden in het verkeer dan bij het struikelen of uitglijden op de arbeidsplaats zelf, zodat de werkgever slechts aansprakelijk is indien hij is tekortgeschoten in zijn zorgplicht ex artikel 7:658 BW.

In het arrest TBS-kliniek De Rooyse Wissel herhaalt de Hoge Raad, onder verwijzing naar het TNT-arrest, dat de op artikel 7:611 BW gebaseerde verzekeringsplicht beperkt dient te blijven tot de categorie werknemers die in de uitoefening van hun werkzaamheden verkeersongevallen overkomen – als hierboven onder (i), (ii) en (iii) – genoemd. De Hoge Raad oordeelt dat het ongeval dat de socio-therapeut was overkomen, niet valt onder de genoemde verkeersongevallen waar de werkgever slechts beperkte zeggenschap over heeft (als gevolg waarvan artikel 7:658 BW veel minder snel soelaas zal bieden) en waarin derhalve bij wijze van hoge uitzondering een aansprakelijkheidsgrond ex artikel 7:611 BW dient te worden geschapen. Integendeel, in het geval van de socio-therapeut was de zeggenschap wel degelijk bij de werkgever aanwezig nu het geweldsdelict zich niet op de openbare weg, maar op werkvloer afspeelde. Volgens de Hoge Raad zou het aannemen van een verzekeringsplicht in deze situatie het wettelijk stelsel van artikel 7:658 BW, waarin voor aansprakelijkheid van een ongeval op de werkvloer een schending van de zorgplicht vereist is, te vergaand aantasten. Bovendien zou een verzekeringsplicht in een dergelijk geval een grote mate van rechtsonzekerheid in het leven roepen omdat geen duidelijke grens meer zou kunnen worden getrokken met (andere) arbeidsongevallen waarvoor (nog geen) verzekeringsplicht is aangenomen.

De Hoge Raad beslist dat de TBS-kliniek wel aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW omdat de kliniek in de procedure bij de Kantonrechter en het Hof onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die het oordeel zouden kunnen wettigen dat zij aan haar zorgplicht om het ongeval te voorkomen heeft voldaan. De Hoge Raad verschuift de aansprakelijkheid dus van artikel 7:611 BW naar artikel 7:658 BW. Het arrest bevestigt daarmee dat op de werkgever die aan aansprakelijkheid wil ontkomen een zware stelplicht rust terzake van hetgeen hij heeft gedaan om invulling te geven aan zijn zorgplicht.

 

Commentaar

Voor de praktijk zijn deze arresten van groot belang omdat zij duidelijk de grenzen afbakenen van de verzekeringsplicht, gebaseerd op goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW. Deze bestaat alleen voor verkeersongevallen die de werknemer in de uitoefening van de werkzaamheden overkomen, tenzij sprake is van een eenzijdig voetgangersongeval. Het lijkt raadzaam voor werkgevers om na te gaan of zij over een dergelijke verzekering beschikken.

Evenmin geldt een verzekeringsplicht op grond van artikel 7:611 BW voor geweldsdelicten, noch voor andere ongevallen die plaatsvinden op de werkvloer en die dus vallen binnen het bereik van artikel 7:658 BW. In dergelijke gevallen waarin de werknemer "in de uitoefening van zijn werkzaamheden" schade lijdt, kan hij alleen maar ageren op grond van artikel 7:658 BW en zal dus een schending van de zorgplicht van de werkgever aanwezig moeten zijn, wil aansprakelijkheid aangenomen kunnen worden. Vanzelfsprekend is het raadzaam om het risico van claims op basis van artikel 7:658 BW ook door een verzekering af te dekken, maar het enkele ontbreken van een verzekering doet de werkgever niet aansprakelijk zijn.

Tot slot zij opgemerkt dat uit de rechtspraak verder volgt dat een werkgever, los van het voorgaande, onder bijzondere omstandigheden ook op grond van artikel 7:611 BW aansprakelijk kan zijn jegens de werknemer wanneer die werknemer anders dan in de uitoefening van de werkzaamheden – en dus buiten het bereik van artikel 7:658 BW – een ongeval overkomt. Daarbij moet met name worden gedacht aan personeelsfeestjes. In deze categorie van gevallen kan artikel 7:658 BW geen soelaas bieden, maar is een werkgever onder omstandigheden wel gehouden om een werknemer niet met zijn schade te laten zitten.