Inleiding
Op 1 januari jl. zijn het Besluit beheerst beloningsbeleid Wft (het “Besluit”) en de DNB Regeling beheerst beloningsbeleid (de “Regeling”) in werking getreden. Deze zijn alleen van toepassing op financiële ondernemingen.
Naast het Besluit en de Regeling is er diverse geldende dan wel aanhangige wet- en regelgeving op het gebied van de beloning en de rechtspositie van bestuurders van beursvennootschappen en financiële ondernemingen. Deze Nieuwsbrief geeft een overzicht van die wet- en regelgeving.
Overzicht relevante wet- en regelgeving | Algemeen
Wetsvoorstel tot aanpassing of terugvordering van bonussen en winstdelingen
Op 20 september 2010 is het wetsvoorstel tot aanpassing en terugvordering van bonussen en winstdelingen van bestuurders[1] (het “Wetsvoorstel”) ingediend bij de Tweede Kamer. Het Wetsvoorstel bevat een basisregeling die wordt uitgewerkt in het Burgerlijk Wetboek (“BW”) en een uitbreiding daarvan in de Wet op het financieel toezicht (“Wft”). De basisregeling geldt voor alle NV’s en (via schakelbepalingen) banken en verzekeringsmaatschappijen in de vorm van een BV, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij. Hoewel het kabinet streeft naar een spoedige behandeling (1 januari 2011 was de beoogde datum voor inwerkingtreding), zal het Wetsvoorstel naar verwachting in ieder geval niet voor 1 juli 2011 inwerking treden.
Het Wetsvoorstel bepaalt onder meer het volgende:
- Het orgaan dat de bezoldiging van individuele bestuurders vaststelt (veelal de RvC), is bevoegd de hoogte van een bonus aan te passen tot een passende hoogte indien uitkering van de bonus naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (de aanpassingsbevoegdheid).
- De vennootschap is bevoegd een bonus geheel of gedeeltelijk terug te vorderen voor zover de uitkering heeft plaatsgevonden op basis van onjuiste informatie over het bereiken van de aan de bonus ten grondslag liggende doelen of over de omstandigheden waarvan de bonus afhankelijk was gesteld (de terugvorderingsbevoegdheid). Ook de commissarissen, de niet uitvoerende bestuurders (voor zover aanwezig) of een door de algemene vergadering aangewezen bijzondere vertegenwoordiger kunnen deze bevoegdheid uitoefenen.
- Het orgaan van een beursvennootschap dat de bezoldiging van individuele bestuurders vaststelt (de RvC in veel gevallen), is verplicht de bonus die ten gevolge van een openbaar bod op aandelen of certificaten van aandelen onvoorwaardelijk wordt aan te passen tot een passende hoogte indien uitkering van de bonus naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (de aanpassingsplicht). Deze change of control regeling geldt – zowel bij een verplicht als vrijwillig openbaar bod, en bij een vrijwillig openbaar bod voor zover overwegende zeggenschap wordt verkregen als gevolg van het bod – ook voor bonussen die nog voorwaardelijk zijn ten tijde van de gestanddoening van het bod.
- De vennootschap doet in het jaarverslag opgave van het bedrag van de aanpassing dan wel terugvordering van de bonus (de verantwoordingsplicht).
- De bestuurder kan wel of niet instemmen met een ingrijpen op zijn bonus. Indien tussen de vennootschap en de betrokken bestuurder geen overeenstemming bestaat omtrent de terugvordering of de aanpassing van de bonus zal door middel van de rechter (of arbitrage) een definitieve uitkomst moeten worden verkregen.
Onder een bonus wordt in het Wetsvoorstel verstaan het variabele deel van de bezoldiging waarvan de toekenning geheel of gedeeltelijk afhankelijk is gesteld van het bereiken van bepaalde doelen of het zich voordoen van bepaalde omstandigheden.
Toelichting bij het Wetsvoorstel
Aanpassingsbevoegdheid
De Memorie van Toelichting bij het Wetsvoorstel (de “Toelichting”) geeft aan dat aanpassing van de uitbetaling van een overeengekomen bonus op basis van de bestaande wetgeving in uitzonderlijke gevallen al kan plaatsvinden met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid of onvoorziene omstandigheden. Het Wetsvoorstel beoogt de bestaande bevoegdheden expliciet te maken. De Toelichting verwijst naar de bepaling in het BW omtrent goed werkgeverschap en goed werknemerschap en, voor zover de aanpassing van een bonus leidt tot een wijziging van de arbeidsvoorwaarden, naar het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2008 (Stoof/Mammoet)[2]. In deze zaak heeft de Hoge Raad kort gezegd overwogen dat bij de beantwoording van de vraag tot welke gevolgen een wijziging van de omstandigheden voor een individuele arbeidsrelatie kan leiden, het volgende dient te worden onderzocht:
a. heeft de werkgever als goed werkgever aanleiding kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden; en
b. is het door hem gedane voorstel redelijk.
Vervolgens dient nog te worden onderzocht of aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden. De Toelichting beargumenteert dat, gelet op de norm “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar” zoals vervat in het Wetsvoorstel, in geval van aanpassing van de hoogte van de bonus in de praktijk zal worden voldaan aan de door de Hoge Raad gestelde voorwaarden. Dat is echter geen gegeven en zal naar mag worden aangenomen leiden tot rechtzaken.
De in het Wetsvoorstel genoemde maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn, zo vermeldt de Toelichting, dezelfde als die van artikel 6:248 en artikel 2:8 BW. Toepassing van die maatstaven op bonussen van bestuurders betreft dan de vraag of een bonus als excessief moet worden beschouwd, hetgeen, aldus de Toelichting, afhangt van verschillende factoren waaronder de omvang van het bedrijf, de sector en de beloningsverhoudingen binnen het bedrijf. Zo kan het in een snelgroeiend bedrijf of sector gebruikelijk zijn om een relatief laag vast salaris en hoge bonussen in aandelen of opties uit te keren om de loonkosten beperkt te houden. Indien een bedrijf internationaal actief is kunnen ook de beloningsverhoudingen van buitenlandse onderdelen worden meegewogen. De Toelichting noemt het geval waarin de koers van de aandelen waar de uitbetaling van de bonus van afhangt buitensporig is gestegen door omstandigheden die niet tevoren waren voorzien (bijvoorbeeld als de koers van de aandelen is verveelvoudigd als gevolg van overnamegeruchten), als een situatie waarin overeengekomen bonussen buitensporig kunnen zijn. Tevens kan een bonus als buitensporig worden beschouwd indien de economische situatie van de vennootschap of de markt ongunstig is terwijl met die omstandigheid onvoldoende rekening is gehouden bij het vaststellen van de doelen waarop de bonus is gebaseerd. Indien een vennootschap ernstige verliezen lijdt, zal eerder kunnen worden geconcludeerd dat uitkering van een bonus onaanvaardbaar is, aldus de Toelichting. De aanpassingsbevoegdheid als zodanig kan niet in de statuten, contractueel of anderszins worden beperkt of uitgesloten.
Bij dit alles is nog van belang het arrest van het Hof Amsterdam van 28 september 2010[3]. Hierin oordeelde het Hof kort gezegd dat het de werkgever (een bank) niet was toegestaan een eerder toegezegde ontslagvergoeding en bonus te wijzigen toen de werknemer boventallig werd verklaard. De werkgever had haar beleid op dit punt gewijzigd tussen het moment van de toezegging en het moment van de boventalligverklaring. Het Hof onder meer dat het door de werkgever gedane beëindigingvoorstel niet kan worden gezien als een voorstel in de zin van het arrest Stoof/Mammoet, nu van enig overleg over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder het dienstverband zou worden beëindigd, geen sprake was. Zelfs al zou de in het arrest Stoof/Mammoet geformuleerde norm van toepassing zijn, kan aanvaarding van het voorstel door de werknemer, aldus het Hof, in het licht van omstandigheden van het geval, in redelijkheid ook niet worden gevergd. Bij de beoordeling van het beroep van de werkgever op artikel 6:258 BW (onvoorziene omstandigheden), stelde het Hof dat redelijkheid en billijkheid op de eerste plaats trouw aan het gegeven woord verlangen dat temeer telt in de omstandigheid waarbij de werknemer zijn deel van de prestatie reeds geheel heeft voldaan. Het Hof oordeelde dat hoewel sprake is van onvoorziene omstandigheden (kredietcrisis, de staatsinterventie en de maatschappelijke kritiek) deze niet van dien aard zijn dat de werknemer ongewijzigde instandhouding van de gedane toezeggingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag verwachten. Uit dit arrest mag worden afgeleid dat een aanpassing of terugvordering van een bonus niet licht zal kunnen plaatsvinden.
Terugvorderingsbevoegdheid
De aanpassingsbevoegdheid kan blijkens de Toelichting worden aangewend zolang het bevoegde orgaan nog invloed kan uitoefenen op de bonus omdat deze nog niet in het vermogen van de bestuurder is terecht gekomen; voor het aanwenden van de terugvorderingsbevoegdheid moet de beloning zich in het vermogen van de bestuurder bevinden, hetgeen overigens ook het geval is als er een lock-up periode is afgesproken.
De Toelichting vermeldt dat de vennootschap reeds op basis van bestaande wetgeving een bonus die is uitgekeerd zonder rechtsgrond als onverschuldigd betaald kan terugvorderen van de ontvanger. De regels over onverschuldigde betaling, waaronder de verjaringstermijn, zijn – aldus de Toelichting – van overeenkomstige toepassing op de terugvorderingsbevoegdheid. De vordering verjaart derhalve vijf jaren na aanvang van de dag waarop bekend is geworden dat de informatie op basis waarvan de bonus is uitgekeerd onjuist is, en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan.
Aanpassingsplicht
De aanpassingsplicht laat blijkens de Toelichting de mogelijkheid van terugvordering onverlet. De aanpassingsplicht ziet op bonussen die nog geen deel uitmaken van het vermogen van de bestuurders. De rechtvaardiging van deze verplichting is er, aldus de Toelichting, in gelegen dat het onvoorwaardelijk worden van een bonus in geval van een openbaar bod tot gevolg kan hebben dat bestuurders een eigen belang krijgen bij het al dan niet realiseren van het bod.
Verantwoordingsplicht
De verantwoordingsplicht geldt voor de zogenaamde open NV’s en (via een schakelbepaling) voor banken en verzekeringsmaatschappijen in de vorm van een coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij of BV. Uit de Toelichting volgt dat de verplichting tot het afleggen van verantwoording pas bestaat wanneer de bevoegdheden tot aanpassing dan wel terugvordering zijn uitgeoefend.
Amendement Irrgang
Bij amendement op het wetsvoorstel tot vereenvoudiging en flexibilisering van het BV-recht is een nieuwe regeling toegevoegd in artikel 2:129 lid 7 BW. Als gevolg daarvan moet een bestuurder van een beursvennootschap die aandelen of opties heeft in die vennootschap de waardestijging van die aandelen en opties die zich voordoet als gevolg van een openbaar bod of een belangrijk bestuursbesluit in de zin van artikel 2:107a BW aan de vennootschap betalen (het “Amendement Irrgang”). De in het Wetsvoorstel vervatte aanpassingsplicht in geval van een openbaar bod vervangt deze bij Amendement Irrgang toegevoegde regeling.
De Toelichting refereert ter uitleg hiervan aan het advies van de Commissie vennootschapsrecht waarin is uiteengezet dat er rekening mee moet worden gehouden dat artikel 2:129 lid 7 BW in strijd is met artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM (recht op ongestoord genot eigendom) en waarin nog een aantal andere verwachte negatieve effecten van de regeling wordt genoemd. De Toelichting geeft vervolgens aan dat gelet op deze juridische en praktische bezwaren het met het Amendement Irrgang beoogde doel (te weten het wegnemen van de prikkel tot oneigenlijke oordeelsvorming van bestuurders wegens een groot financieel belang in geval van overnames) niet wordt bereikt.
Op 1 juli 2010 is een amendement ingediend (door onder anderen het lid Irrgang) bij de Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht, waarbij het Amendement Irrgang (i.e. het nieuwe artikel 2:129 lid 7 BW) opnieuw wordt ingediend. Ook uit het op 22 november 2010 uitgebrachte verslag van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, die is belast met het voorbereidend onderzoek van het Wetsvoorstel, volgt dat er bezwaren bestaan (met name bij de PvdA en de SP) tegen de vervanging van het Amendement Irrgang door de in het Wetsvoorstel vervatte aanpassingsplicht. Daarnaast is blijkens het verslag (onder meer) de vraag gerezen of het Wetsvoorstel – met het oog op de Code en artikel 6:248 BW – niet tot overbodige wetgeving leidt. Gezien de gewijzigde verhoudingen in de kamer, is het de vraag of het Wetsvoorstel zal worden aangenomen als de bezwaren bij de diverse partijen blijven bestaan.
Corporate Governance Code
De Nederlandse corporate governance code 2008 (“de Code”), die van toepassing is op Nederlandse beursvennootschappen, bevat onder meer de volgende best practice bepalingen:
- De vergoeding bij ontslag van een bestuurder bedraagt maximaal eenmaal het jaarsalaris (het “vaste” deel van de bezoldiging). Indien dit maximum voor een bestuurder die in zijn eerste benoemingstermijn wordt ontslagen onredelijk is, komt deze bestuurder in dat geval in aanmerking voor een ontslagvergoeding van maximaal tweemaal het jaarsalaris.
- De RvC heeft de bevoegdheid de waarde van een in een eerder boekjaar toegekende voorwaardelijke variabele bezoldigingscomponent beneden- of bovenwaarts aan te passen, wanneer deze naar zijn oordeel tot onbillijke uitkomsten leidt vanwege buitengewone omstandigheden in de periode waarin de vooraf vastgestelde prestatiecriteria zijn of dienden te worden gerealiseerd (de billijkheidstoets).
- De RvC heeft de bevoegdheid de variabele bezoldiging die is toegekend op basis van onjuiste (financiële) gegevens terug te vorderen van de bestuurder (clawback).
Volgens de Toelichting verduidelijkt en concretiseert het Wetsvoorstel dat de RvC de waarde van een in het vooruitzicht gestelde bonus kan bijstellen (redelijkheidstoets) en een uitgekeerde bonus namens de vennootschap kan terugvorderen (clawback), onafhankelijk van – onder meer – het “pas toe of leg uit” beginsel van de Code. Met betrekking tot de Code vermeldt de Toelichting dat het kabinet zelfregulering via “pas toe of leg uit” ten aanzien van het aanpassen en terugvorderen van bonussen niet voldoende acht, dat de codebepalingen voorts niet kunnen bewerkstelligen dat bestaande contracten worden gewijzigd, en dat het kabinet daarom meent dat een nadere wettelijke regeling noodzakelijk is.
Rapport Monitoring Commissie Corporate Governance
De Monitoring Commissie Corporate Governance Code (de “Commissie”) noemt in haar onlangs (december 2010) verschenen rapport over de naleving van de Code in 2009 (onder meer) de volgende bevindingen:
- Maximale ontslagvergoeding: in 2009 wordt 51 maal uitgelegd waarom deze best practice bepaling niet wordt toegepast. Van de 15 beursvennootschappen die daadwerkelijk een ontslagvergoeding hebben verstrekt in 2009 hebben 8 de best practice bepaling toegepast, 6 hebben uitgelegd waarom de best practice niet werd toegepast en 1 heeft de best practice niet nageleefd. De meest gebruikte uitleg over niet-toepassing is het respecteren van bestaande contracten.
- Clawback en billijkheidstoets: de clawback wordt 26 maal uitgelegd, de billijkheidstoets 14 maal. De clawback-clausule is de nieuwe best practice bepaling die het vaakst wordt uitgelegd, met als motivering veelal dat men de wetgeving op dit punt afwacht. Feitelijk heeft de introductie van de clawback-clausule door het voornemen tot wettelijke verankering vertraging opgelopen, aldus de Commissie. De meest voorkomende uitleg waarom de best practice bepaling over de billijkheidstoets niet wordt toegepast is dat de onderneming de nieuwe Code op dit punt onderschrijft maar pas toe zal passen in 2010 of 2011.
Over de wettelijke verankering van de best practice bepalingen inzake de clawback en de billijkheidstoets zegt de Commissie in haar rapport onder meer het volgende:
- Het brede draagvlak van de Code komt in het gedrang wanneer de wetgever selectief best practice bepalingen uit de Code neemt en wettelijk vastlegt (zoals bij de clawback-clausule).
- De beslissing om reeds nu over te schakelen op wetgeving inzake de billijkheidstoets is prematuur in het licht van het feit dat (i) er nog weinig ervaring is opgedaan met de billijkheidstoets uit de Code, en (ii) er vooralsnog niet is gebleken van gebrek aan bereidheid onder vennootschappen om de billijkheidstoets toe te passen.
Wetsvoorstel bestuur en toezicht
Op 8 december 2009 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Bestuur en Toezicht aanvaard. Het voorstel is nog in behandeling bij de Eerste Kamer. Volgens het wetsvoorstel wordt de rechtsverhouding tussen de bestuurder en de beursvennootschap niet langer aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.[4]
De toelichting vermeldt dat de veelal dubbele rechtsverhouding tussen de bestuurder en de beursvennootschap zoals die onder het huidige recht bestaat (een vennootschapsrechtelijke verhouding en een arbeidsovereenkomst met de beursvennootschap) als belangrijk nadeel heeft dat de in de Code opgenomen best practice bepaling dat een bestuurder van een beursvennootschap bij zijn vertrek geen hogere vergoeding meekrijgt dan maximaal een vast jaarsalaris, door het bestaan van een arbeidsovereenkomst kan worden doorkruist. In de arbeidsovereenkomst wordt soms een hogere vergoeding toegezegd. Daarnaast kan de bestuurder in geval van ontslag bij de rechter een hogere vergoeding bepleiten (op basis van kennelijk onredelijk ontslag of de kantonrechtersformule).
Bestaande wettelijke regeling voor bezoldigingsbeleid
Voor alle NV’s geldt sinds enige jaren de verplichting een bezoldigingsbeleid voor bestuurders te hebben, vast te stellen door de algemene vergadering (artikel 2:135 lid 1 BW). Indien de beloning van bestuurders door een ander orgaan dan de algemene vergadering wordt vastgesteld moeten optie- en aandelenplannen voor bestuurders (incl. maximum aantallen) ter goedkeuring aan de algemene vergadering worden voorgelegd.
Overzicht relevante wet- en regelgeving | Financiële instellingen
Wetsvoorstel tot aanpassing of terugvordering van bonussen en winstdelingen
De hierboven beschreven basisregeling van het BW geldt voor NV’s en banken en verzekeringsmaatschappijen die een andere rechtsvorm hebben, en is van toepassing op bestuurders. Het Wetsvoorstel voorziet via een wijziging van de Wft bovendien echter in een uitbreiding van de aanpassings- en de terugvorderingsbevoegdheid (zie nummer 4) op twee punten:
(i) kring van ondernemingen: de beide bevoegdheden gelden voor álle financiële ondernemingen (dus ook voor bijvoorbeeld beleggingsondernemingen en beleggingsinstellingen, onafhankelijk van hun rechtsvorm), en;
(ii) kring van personen: bij financiële ondernemingen (waaronder ook banken en verzekeringsmaatschappijen) zijn deze bevoegdheden van toepassing op alle dagelijkse beleidsbepalers (en niet, zoals in de in het BW vervatte basisregeling, alleen op bestuurders).
De bevoegdheden komen bij financiële ondernemingen toe aan het orgaan of degene die de beloning vaststelt. De verantwoordingsplicht (zie nummer 4) geldt niet voor financiële ondernemingen tenzij deze plicht op basis van de regeling in het BW (i.e. open NV’s en banken en verzekeraars met een andere rechtsvorm) van toepassing is.
CRD III, Besluit beheerst beloningsbeleid Wft, Regeling beheerst beloningsbeleid Wft
Als aangegeven in de inleiding zijn voor financiële ondernemingen (waaronder banken en verzekeraars) andere regels met betrekking tot beloningsbeleid al wél per 1 januari 2011 van kracht geworden. De Europese CRD III richtlijn[5] verplichtte de Lidstaten (o.a.) om uiterlijk 1 januari 2011 eisen in te voeren betreffende het beloningsbeleid van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. In Nederland is hieraan voldaan middels de inwerkingtreding op 1 januari jl. van het Besluit beheerst beloningsbeleid Wft en de Regeling beheerst beloningsbeleid Wft. Het Besluit en de Regeling gelden overigens voor alle financiële ondernemingen (en niet alleen voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen zoals vereist door CRD III).
Het Besluit bepaalt dat financiële ondernemingen verplicht zijn het beleid inzake beloningen schriftelijk vast te leggen en om het in de bedrijfsvoering van de onderneming te implementeren en in stand te houden. De financiële onderneming moet een beschrijving van haar beleid inzake beloningen openbaar maken. Het Besluit bepaalt voorts (onder meer):
- voor álle financiële ondernemingen: dat zij een beloningsbeleid moeten voeren dat erop is gericht te voorkomen dat de beloning van degenen die het beleid van de onderneming bepalen of mede bepalen, haar werknemers en andere natuurlijke personen die zich onder haar verantwoordelijkheid bezighouden met het verlenen van financiële diensten of andere activiteiten, leidt tot onzorgvuldige behandeling van consumenten, cliënten of deelnemers; en
- voor de financiële ondernemingen die onder prudentieel toezicht staan van DNB: dat dat beloningsbeleid bovendien niet aanmoedigt tot het nemen van meer risico’s dan voor de desbetreffende financiële onderneming aanvaardbaar is.
De Regeling beheerst beloningsbeleid van DNB van 16 december 2010 geeft voor financiële ondernemingen die onder prudentieel toezicht staan van DNB (inclusief premiepensioeninstellingen, maar exclusief betaalinstellingen) vrij gedetailleerde regels waaraan het beloningsbeleid en de beloningscultuur van een financiële onderneming dienen te voldoen om de beheersing van risico’s te waarborgen. In de toelichting op de Regeling verwijst DNB voor nadere uitleg expliciet naar de door CEBS opgestelde Guidelines on Remuneration Policies and Practices.
Code Banken
Het Besluit en de Regeling overlappen inhoudelijk deels met de Code Banken, een vorm van zelfregulering, die op 1 januari 2010 van kracht werd. De Code
Banken geldt voor alle banken die beschikken over een bankvergunning op grond van de Wft. De Code Banken bevat een hoofdstuk inzake het beloningsbeleid, waarin bijvoorbeeld, kort samengevat, is neergelegd dat:
de bank een zorgvuldig, beheerst en duurzaam beloningsbeleid voert dat in lijn is met haar strategie en risicobereidheid, doelstellingen en waarden en waarbij rekening wordt gehouden met de lange termijn belangen van de bank, de relevante internationale context en het maatschappelijk draagvlak;
- de RvC verantwoordelijk is voor het uitvoeren en evalueren van het vastgestelde beloningsbeleid ten aanzien van de leden van de raad van bestuur;
- het totale inkomen van een lid van de raad van bestuur in een redelijke verhouding staat tot het vastgestelde beloningsbeleid binnen de bank;
- de vergoeding bij ontslag van een lid van de raad van bestuur (in beginsel) maximaal eenmaal het vaste jaarsalaris bedraagt;
- het toekennen van een variabele beloning mede is gerelateerd aan de lange termijn doelstellingen van de bank;
- iedere bank een bij de bank passend maximum vaststelt voor de verhouding tussen de variabele beloning en het vaste salaris;
- voor een lid van de raad van bestuur de variabele beloning per jaar maximaal 100% van het vaste inkomen bedraagt;
- de RvC in buitengewone omstandigheden de discretionaire bevoegdheid heeft de variabele beloning van een lid van de raad van bestuur aan te passen wanneer deze naar zijn oordeel leidt tot onbillijke of onbedoelde uitkomsten; en
- de RvC de bevoegdheid heeft de variabele beloning die is toegekend aan het lid van de raad van bestuur op basis van onjuiste (financiële) gegevens terug te vorderen.
Voorrapportage Monitoring Commissie Code Banken
In december 2010 is de Voorrapportage Implementatie Code Banken van de Monitoring Commissie Code Banken verschenen. Hierin geeft de commissie onder meer aan dat:
- circa 74% van de ondervraagde banken aangeeft de variabele beloning van de leden van de raad van bestuur te maximeren tot maximaal 100% van het vaste inkomen;
- circa 82% van de banken zegt het principe dat de bestuurdersbeloning in een redelijke verhouding tot het vastgestelde beloningsbeleid dient te staan, na te leven; en
- de meeste banken nu, of anders overwegen op korte termijn, een clawback clausule (te) hanteren.
[1] Het wetsvoorstel voorziet tevens in de invoering van een deskundigheidstoetsing voor leden van raden van commissarissen en raden van toezicht bij financiële ondernemingen, hetgeen in deze nieuwsbrief buiten beschouwing wordt gelaten.
[2] HR 11 juli 2008, JAR 2008, 204.
[3] Hof Amsterdam, JAR 2010, 270.
[4] Onder een beursvennootschap wordt (in het wetsvoorstel) verstaan: een vennootschap waarvan aandelen of met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit, als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft, of tot een met een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is.
[5] Richtlijn nr. 2010/76/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG wat betreft de kapitaalvereisten voor de handelsportefeuille en voor hersecuritisaties, alsook het bedrijfseconomisch toezicht op het beloningsbeleid (PbEU L 329).