De Brauw News

Hoge Raad: allocatiefunctie niet vereist om aangemerkt te worden als uitzendwerkgever

November 13, 2016

Op 4 november heeft de Hoge Raad het langverwachte arrest gewezen in de zaak Care4Care/StiPP. In het conflict tussen de zorgdetacheerder en het bedrijfstakpensioenfonds voor de uitzendbranche schept de Hoge Raad duidelijkheid over de vraag wanneer een werkgever een uitzendwerkgever is. Hiervoor is geen allocatiefunctie vereist: het bij elkaar brengen van vraag en aanbod naar tijdelijke arbeid. Deze uitspraak kan aanzienlijke gevolgen hebben voor detacheerders en andere werkgevers die werknemers ter beschikking stellen aan derden, zoals payrollbedrijven. Uit de uitspraak volgt ook dat een payrollbedrijf wordt gelijkgesteld met een uitzendonderneming en dat payrollwerknemers dus onder de ruimere uitzendregelgeving vallen. Zo zouden payrollwerknemers tot vijfenhalf jaar op een tijdelijk contract kunnen werken, terwijl dit voor ‘gewone’ werknemers slechts twee jaar is. Het wordt voor bedrijven dus nog aantrekkelijker om payrollwerknemers in te huren.

In zijn arrest schept de Hoge Raad duidelijkheid over de vraag wanneer een werkgever een uitzendwerkgever is. Hiervoor is geen allocatiefunctie vereist: het bij elkaar brengen van vraag en aanbod naar tijdelijke arbeid. StiPP is een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds en voert de pensioenregeling uit voor werknemers met een uitzendovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:690 BW. In de uitoefening van zijn taak had StiPP Care4Care, een bedrijf dat gekwalificeerd medisch specialistisch personeel levert aan opdrachtgevers zoals ziekenhuizen en zorginstellingen, (onvrijwillig) aangesloten. Care4Care op zijn beurt stelde geen uitzendwerkgever te zijn, omdat hij geen allocatiefunctie vervult, waarmee wordt bedoeld het bij elkaar brengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.

 

In eerste instantie werd Care4Care in het gelijk gesteld: volgens de kantonrechter valt de werkgever die geen allocatiefunctie vervult niet onder de werking van artikel 7:690 BW en is hij dus ook niet verplicht om deel te nemen in StiPP. Het hof oordeelde daarentegen dat voor de toepassing van artikel 7:690 BW niet vereist is dat de werkgever een allocatiefunctie vervult. Het hof stelt dat deze allocatiefunctie niet letterlijk in de tekst van artikel 7:690 BW staat en concludeert dat de werknemers van Care4Care in lijn met dat artikel ‘arbeid verrichten onder toezicht en leiding van een derde’. Als aan de eisen van artikel 7:690 BW is voldaan, dan is hun arbeidsovereenkomst ook een uitzendovereenkomst, aldus het hof. Tegen dit oordeel stelde Care4Care cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

 

Deze laat het oordeel van het hof in stand en verwijst daarbij naar de wetsgeschiedenis van artikel 7:690 BW. De tekst van het artikel eist niet dat de arbeid die bij de derde wordt verricht tijdelijk is, noch impliceert deze een beperkende ‘allocatiefunctie’. Care4Care is dus een uitzendwerkgever en valt onder het toepassingsbereik van StiPP. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat ook payrollbedrijven, die alleen administratieve werkgevers zijn en geen allocatiefunctie vervullen, feitelijk uitzendondernemingen zijn. Een payrollwerknemer kan dus op grond van de flexibele uitzendregelgeving tot vijf en een half jaar op een tijdelijk contract werken.

 

De Hoge Raad waagt zich overigens niet aan harde uitspraken over payrollconstructies, maar roept de wetgever op grenzen te stellen als door deze ruime uitleg van de uitzendovereenkomst de bescherming van payrollwerknemers in het gedrang komt. Ook de rechter heeft mogelijkheden om maatschappelijk ongewenst gebruik van de regels tegen te gaan op grond van de redelijkheid en billijkheid, aldus de Hoge Raad.

We keep track of you on our site with cookies, in order to offer the basic functionality of the website and generate user statistics on an anonymous basis to make our website more user-friendly. We do not use or share your data with third parties for advertising purposes.