De Brauw News

Pensioenfonds met dekkingsgraad >90% hoeft niet te korten

December 23, 2019

De Minister van SZW zal gebruik maken van zijn vrijstellingsbevoegdheid om de termijnen te verlengen waarbinnen pensioenfondsen moeten voldoen aan de wettelijke eisen voor het Vereist Eigen Vermogen (VEV) en het Minimaal Vereist Eigen Vermogen (MVEV). Dat staat in een recente brief aan de Tweede Kamer. Pensioenfondsen die per 31 december 2019 voor de zesde opeenvolgende keer niet voldoen aan het MVEV (een dekkingsgraad van 104,3%) hoeven – in afwijking van de geldende wetgeving –  nog geen korting door te voeren. Zij krijgen van de Minister een extra jaar om te herstellen tot het niveau van 104,3%. Als zij per 31 december 2020 onvoldoende herstel hebben laten zien, zullen zij in beginsel alsnog moeten korten. Daarnaast verlengt de Minister de termijn voor herstel van het VEV van 10 naar 12 jaar. Uitstel betekent echter geen afstel. Als sociale partners, pensioenfondsen en de Minister onvoldoende voortgang boeken met de uitwerking van het Pensioenakkoord, zullen er volgend jaar grotere kortingen nodig zijn. Tenzij de financiële markten in 2020 een krachtig herstel laten zien of de kapitaalmarktrente stijgt.

Waarom deze verlenging?

De verlenging van de hersteltermijnen door de Minister is vooral te zien als een tegemoetkoming aan pensioengerechtigden. Een korting van pensioenen heeft voor hen onmiddellijk een koopkrachteffect en komt psychologisch hard aan. Het is bovendien onwaarschijnlijk dat de korting van al ingegane pensioenen in de toekomst ongedaan gemaakt kan worden. Deelnemers die pensioen opbouwen beschikken daarentegen over het verdienvermogen (“menselijk kapitaal”) om een eventuele korting van hun pensioenaanspraken in een latere fase van hun werkzame leven te compenseren. Zij voelen een korting niet onmiddellijk in hun portemonnee.

 

Geen hogere pensioenpremies

Gelijktijdig doet de minister de suggestie om pensioenpremies in 2020 niet te verhogen. Díe suggestie kan worden gezien als een tegemoetkoming aan de deelnemers. Als sociale partners en pensioenfondsen die volgen, verkrijgen deelnemers nieuwe pensioenaanspraken onder de “kostprijs” – ervan uitgaande dat het opbouwpercentage gelijk blijft. Bovendien wordt hun loonruimte en koopkracht niet opgesoupeerd door de betaling van hogere pensioenpremies. Als sociale partners en pensioenfondsen de Minister hierin volgen, zullen de premiedekkingsgraden van pensioenfondsen verder dalen. Die liggen nu al in veel gevallen ver onder de 100%. Dit is het gevolg van zogenoemde premiedemping. Zie voor een toelichting de bijdrage van Frijns, Maatman en Mensonides in Ondernemingsrecht 2018/122: “Herziening pensioenstelsel – simultaanschaken in de polder”. Een verdere daling van de premiedekkingsgraad betekent dat er méér herstel nodig is op financiële markten om per 31 december 2020 het niveau van 104,3% te halen dat nodig is om dan korting te voorkomen; het verschil tussen de geldende dekkingsgraad en 104,3% neemt immers toe.

 

“Uitruil”

Deze suggestie van de Minister over de premie is opmerkelijk. Hij doet pensioenfondsen een rechtvaardiging aan de hand om korting uit te stellen en dat uitstel “uit te ruilen” tegen handhaving van het huidige premieniveau en het opbouwpercentage. Samen genomen zou die “uitruil” het resultaat kunnen zijn van een evenwichtige belangenafweging van het pensioenfondsbestuur, zo laat de Minister blijken. Hij loopt daarmee vooruit op de besluitvorming door de pensioenfondsbesturen. Die moeten, zo schrijft de Minister verder, een evenwichtig besluit nemen. Als zij kortingen willen uitstellen, zullen zij dat uitstel moeten onderbouwen: “Het fonds dient informatie over het genomen besluit aan zijn (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden ter beschikking te stellen, waarbij het aandacht besteedt aan de gevolgen voor de premie, opbouw, ambitie en de financiële positie van het pensioenfonds de komende jaren. Bovendien dient informatie inzicht te geven in de gevolgen voor deelnemers. Ik vind het belangrijk dat pensioenfondsbesturen hierover transparant communiceren met hun deelnemers. Door de verlenging van de termijnen is het generationele herverdelingseffect naar verwachting beperkt. Bij de verantwoording dient een pensioenfonds dan ook aan zijn (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden informatie ter beschikking te stellen over het effect van de keuze die het maakt.”

 

Wat gaan besturen doen?

Het ligt in de rede dat pensioenfondsbesturen in hun beweegredenen  de suggestie van de Minister zullen volgen om premie en opbouwpercentage ongewijzigd te laten. De Minister biedt hun een kans voor open doel: uitstel van korting in combinatie met gelijkblijvende premie en opbouwpercentage mag evenwichtig worden geacht. Later in zijn brief neemt de Minister gas terug: “Het kan in een specifieke situatie wellicht evenwichtiger zijn wel een korting door te voeren. Ik vertrouw erop dat pensioenfondsen hierover een weloverwogen beslissing nemen.”

Volgens Marc Heemskerk (Mercer) maken pensioenfondsen dankbaar gebruik van de redenering die de Minister aanreikt. Heemskerk heeft “[m]et verbazing en tranen in de ogen (…) kennis genomen van het premiebeleid voor 2020 van met name de grote pensioenfondsen. Vrijwel zonder uitzondering blijven premie en opbouwpercentage gelijk.” Hij meent dat pensioenfondsen met dit beleid voor 2020 hun kop in het zand steken en deelnemers mogelijk teveel beloven (PensioenPro 10 december 2019).

 

Stok en wortel

Vanuit de optiek van de Minister is zijn handelwijze begrijpelijk. Pragmatisch als hij is, weet hij dat hiermee de druk op sociale partners en pensioenfondsen toeneemt om het Pensioenakkoord tot een succes te maken. Als er in 2020 onvoldoende voortgang wordt geboekt met de uitwerking daarvan en een overgang naar een nieuw stelsel achter de horizon verdwijnt, snijdt de pensioensector zichzelf in de vingers. Er zullen mogelijk nog grotere kortingen nodig zijn (want het verschil neemt toe, bij overigens gelijkblijvende omstandigheden) en het vertrouwen in het bestaande stelsel zal verder eroderen. Hiermee heeft de Minister een stok en een wortel om sociale partners en pensioenfondsen te prikkelen om mee te werken aan de totstandkoming van een nieuw pensioenstelsel onder zijn ministerschap.

 

Wat vindt DNB?

Intussen lijkt DNB van mening dat pensioenfondsen niet moeten denken dat zij gemakkelijk hun toevlucht kunnen nemen tot de redenering van de minister. DNB kondigt in haar nieuwsbrief van december 2019 aan dat zij in 2020  prioriteit zal geven aan het toezicht op de financiële opzet van pensioenfonds. “Dat betekent dat de premie-inleg en eventuele wijzigingen in de premiesystematiek moeten passen binnen het wettelijke kader. Daarnaast monitort DNB dat pensioenfondsen die in de toekomst mogelijk met een MVEV-korting worden geconfronteerd hun financiële positie ook in de aanloop van zo’n potentieel kortingsmoment adequaat blijven weergeven. DNB gaat hier – net als vorig jaar – extra aandacht aan geven en zal fondsen wijzen op niet-acceptabele waarderingen en wijzigingen in de balans. Tot slot ziet DNB erop toe dat eventuele kortingen beheerst, correct en evenwichtig worden doorgevoerd. Daarbij houdt DNB vanzelfsprekend rekening met het besluit van de Minister om gebruik te maken van artikel 142 van de Pensioenwet en zal zij haar toezicht baseren op het hieruit voortvloeiende wettelijke kader.”

We keep track of you on our site with cookies, in order to offer the basic functionality of the website and generate user statistics on an anonymous basis to make our website more user-friendly. We do not use or share your data with third parties for advertising purposes.