De Brauw News

Wet toekomst pensioenen: tijdslijnen ongewijzigd na consultatieronde

March 18, 2021

De herziening van de tweede pijler van het Nederlands pensioenstelsel, het arbeidsvoorwaardelijk pensioen, is in de maatschappij lang een onderwerp van discussie geweest. Op 16 december 2020 werd een conceptwetsvoorstel toekomst pensioenen aan marktpartijen voorgelegd ter consultatie. Deze consultatieversie kwam in reactie op het Pensioenakkoord, dat in juni 2019 werd gepubliceerd en in juli 2020 werd uitgewerkt in een Hoofdlijnennotitie (zie ons artikel van 14 juli 2020).

 

De consultatieperiode is inmiddels verstreken en er zijn bijna 500 reacties gekomen vanuit de markt. Het streven is nog steeds dat het definitieve wetsvoorstel na de zomer wordt ingediend en per 1 januari 2022 in werking treedt. De transitie zou per 1 januari 2026 afgerond moeten zijn. Er lijkt echter nog behoorlijk wat werk aan de winkel. Wij gaan kort in op enkele punten die ons opvielen in de verschillende consultatiereacties. Daarvoor geven wij ter achtergrond eerst een korte inleiding over de consultatieversie van het conceptwetsvoorstel. Wij sluiten af met opmerkingen over vervolgstappen en tijdslijn die met name voor werkgevers en pensioenuitvoeringsorganisaties relevant zijn.

Achtergrond

In de consultatieversie worden verschillende maatregelen voorgesteld die zouden leiden tot een ingrijpende vernieuwing van het arbeidsvoorwaardelijk pensioen, zoals het nieuwe pensioencontract, de verbeterde premieregeling, de transitie en de hoogte van de pensioenpremie.

 

Onder het nieuwe pensioenstelsel kan ouderdomspensioen alleen nog worden opgebouwd op basis van een premieovereenkomst. De huidige uitkerings- en kapitaalovereenkomst staan dan niet meer ter beschikking van de werkgeverDe werkgever kan vanaf 1 januari 2022 kiezen tussen een van de volgende premieregelingen:

  • De premieovereenkomst als het nieuwe pensioencontract
  • De verbeterde premieovereenkomst als de verbeterde premieregeling
  • De premie-uitkeringsovereenkomst en premie-kapitaalovereenkomst als verzekeraars optreden als pensioenuitvoeringsorganisatie

 

De wetgever gaat ervan uit dat alle bestaande afspraken over pensioen op de schop moeten. De consultatieversie gaat er vanuit dat het wetgevingstraject dit jaar nog wordt afgerond, en dat de voorbereidingen voor de transitie dan vanaf 1 januari 2022 van start kunnen gaan. Voor de transitie zelf is vier jaar gereserveerd en deze zal uiterlijk op 1 januari 2026 moeten zijn gerealiseerd.

 

Reacties op de consultatieversie

Hieronder noemen wij enkele juridische elementen die in verschillende reacties terugkomen.

 

Bezwaarrecht bij “invaren”

Met “invaren” wordt bedoeld het toepassen van de regels van een gewijzigde collectieve pensioenovereenkomst op pensioenrechten en pensioenaanspraken die voor die wijziging zijn verworven. Dit gebeurt door middel van een “interne collectieve waardeoverdracht” (artikel 83, eerste lid, onderdeel c van de Pensioenwet). Collectief invaren heeft tot doel om de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten en de nieuwe pensioenopbouw bijeen te houden in één pensioenfonds. Op dit moment hebben deelnemers een individueel bezwaarrecht bij een voorgenomen interne collectieve waardeoverdracht. De consultatieversie schaft dit individueel bezwaarrecht bij invaren af maar biedt, afhankelijk van het bestuursmodel, het verantwoordingsorgaan of het belanghebbendenorgaan respectievelijk een advies- of goedkeuringsrecht. Sommigen pleiten tegen deze afschaffing van het individuele bezwaarrecht, anderen kunnen zich daarin vinden maar pleiten voor de introductie van een collectief bezwaarrecht of een speciale geschillenregeling.

 

Solidariteitsreserve

Bij het nieuwe contract worden mee- en tegenvallers gedempt door de leeftijdsafhankelijke risicotoedeling en de verplichte solidariteitsreserve. De reserve is een verplicht collectief element van het pensioenvermogen. Bij de verbeterde premieregeling daarentegen is een solidariteitsreserve optioneel. Deze optie staat vooralsnog niet open voor niet-verplichtgestelde pensioenfondsen, PPI’s en verzekeraars. Veel stemmen gaan op om de mogelijkheid van de solidariteitsreserve open te stellen voor alle uitvoerders van een verbeterde premieregeling.

 

De solidariteitsreserve zal onderdeel worden van de opdracht die sociale partners aan de pensioenuitvoerder verstrekken, en daarmee onderdeel van de governance van de pensioenuitvoerder. Het pensioenfondsbestuur zal verantwoording moeten afleggen over de gekozen technische en financiële inrichting van de solidariteitsreserve. Om de evenwichtigheid van de solidariteitsreserve te onderbouwen, kan de toezichthouder (DNB) verlangen dat de documentatie van pensioenfondsen in dit verband aan bepaalde eisen voldoet.

 

MVEV 1%

Pensioenfondsen moeten een minimaal vereist eigen vermogen aanhouden van – kort gezegd – tenminste 1% van de technische voorzieningen.. De Pensioenfederatie pleit onder meer voor afschaffing van het vereiste van het aanhouden van een minimum vereist eigen vermogen, omdat het in het licht van het nieuwe stelsel met enkele premieregelingen geen toegevoegde waarde heeft. Het zou ten koste gaan van de hoogte van het pensioen voor de deelnemer, geen extra zekerheid bieden, en ook waardeoverdrachten compliceren.

 

Zorgplicht en risicohouding deelnemer

De risicohouding van de deelnemer speelt een belangrijke rol bij het vormgeven van het beleggingsbeleid in het nieuwe stelsel. Er leven nog veel vragen over de manier waarop de risicohouding uitgevraagd zou moeten worden via het risicopreferentie-onderzoek.

 

Transitie-FTK

De Consultatieversie schetst een verlicht transitie FTK dat openstaat voor pensioenfondsen vanaf 1 januari 2022 om te voorkomen dat een pensioenfonds tijdens de transitieperiode maatregelen moet nemen die vanuit het nieuwe pensioenstelsel of vanuit de evenwichtige overstap naar dat stelsel bezien onnodig zijn. Pensioenfondsen hebben hierbij dus een keuze om wel of niet over te stappen. Enkelen pleiten bijvoorbeeld voor een voorgeschreven standaardpad. Anderen waarschuwen daarvoor. Er leven nog veel vragen over de financiële impact van de toepasselijkheid van het transitie-FTK waarnaar nader onderzoek wordt gedaan.

 

Vervolgstappen

De ontwikkelingen in de aanloop tot de consultatieversie geven aan dat hervorming van het pensioenstelsel de gemoederen in de afgelopen jaren nogal in beweging heeft gehouden, en we verwachten dat deze ontwikkeling zich de komende tijd nog zal voortzetten. Ook de consultatiereacties laten dit zien, en ook dat er nog werk aan de winkel is om de consultatieversie verder uit te werken en op onderdelen te verbeteren, en ook de lagere regelgeving voor te bereiden. Daarbij zullen ook nog verschillende toetsen plaatsvinden zoals uitvoeringstoetsen van de Belastingdienst en toezichthouders, de administratieve lastentoets en het advies van de Raad van State. Vooralsnog heeft Koolmees aangegeven dat de ontvangst van de 484 consultatiereacties geen aanleiding geeft de beoogde tijdslijnen op te schuiven. De bedoeling is nog steeds dat de Wet toekomst pensioenen op 1 januari 2022 in werking treedt, en de transitie naar het nieuwe stelsel vervolgens per 1 januari 2026 is afgerond.

 

Werkgevers en pensioenuitvoerders doen er dus goed aan om rekening te houden met een ongewijzigd tijdspad en alvast te inventariseren hoe zij de transitie – vanuit hun eigen verantwoordelijkheden bezien – voor zich zien en welke stappen zij in dit stadium al kunnen zetten om zich hierop voor te bereiden.

 

We keep track of you on our site with cookies, in order to offer the basic functionality of the website and generate user statistics on an anonymous basis to make our website more user-friendly. We do not use or share your data with third parties for advertising purposes.