13 June 2018

Onjuiste implementatie EU-recht vormt elke dag zelfstandige onrechtmatige daad

De Hoge Raad heeft onlangs bepaald dat niet alleen het invoeren, maar ook het in stand houden van onrechtmatige wetgeving een onrechtmatige daad vormt. De Staat heeft de plicht om Europese richtlijnen correct te implementeren. Wordt dat nagelaten of wordt later niet alsnog juist geïmplementeerd, dan is dat onrechtmatig. Iedere dag dat niet juist geïmplementeerd is, vindt een zelfstandige onrechtmatige daad plaats. Aan benadeelde partijen komt dan ook een aparte schadevergoedingsvordering toe voor iedere dag dat die onjuiste implementatie voortduurt. Al die vorderingen op hun beurt verjaren afzonderlijk na verloop van vijf jaar.

Partijen die nadeel ondervinden van nationale wetgeving die in strijd is met Europees recht moeten er vanuit het oogpunt van verjaring dan ook op bedacht zijn dat zij binnen vijf jaar na de eerste dag waarop schade is geleden, de verjaring stuiten door een aansprakelijkstelling.

Feiten

TMG had afspraken met de grote omroeporganisaties om dagelijks een overzicht van de door hen uitgezonden televisieprogramma’s te publiceren in de Telegraaf (eigendom van TMG). TMG wilde daarnaast een weekoverzicht publiceren, maar de omroeporganisaties hielden dat in gerechtelijke procedures tegen met een beroep op de zogenoemde “onpersoonlijke geschriftbescherming”, afgeleid uit art. 10 lid 1 Auteurswet zoals die tot 1 januari 2015 gold. Deze “onpersoonlijke geschriftenbescherming”, zoals die in de Nederlandse rechtspraak werd erkend, hield in dat ook geschriften zonder oorspronkelijk karakter of persoonlijk stempel van de maker (zoals dienstregelingen, bijsluiters en programmagegevens) op grond van de Auteurswet bescherming genoten. TMG kon daardoor jarenlang geen weekoverzicht met programmagegevens publiceren.

Foutieve implementatie

De Nederlandse uitleg bleek echter in strijd met de Europese Databankenrichtlijn die in 1998 in nationaal recht had moeten zijn omgezet. Uitgangspunt in de Databankenrichtlijn is dat er maar één criterium is op basis waarvan kan worden bepaald of een databank in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming, en dat is het oorspronkelijkheidscriterium. De Nederlandse wetgever ging er ten onrechte van uit dat de (onpersoonlijke) geschriftenbescherming van databanken waarin niet substantieel is geïnvesteerd, buiten het bereik van de Databankenrichtlijn valt en daarmee alsnog auteursrechtelijk kon worden beschermd op basis van nationaal recht. De Hoge Raad heeft vervolgens in 2014 op basis van het Football Dataco-arrest uit 2012 van het Europese Hof van Justitie geoordeeld dat databanken die niet aan het oorspronkelijkheidscriterium voldoen, ook niet meer vatbaar zijn voor auteursrechtelijke bescherming. De Databankenrichtlijn biedt immers een uitputtende regeling voor de auteursrechtelijke bescherming van databanken.

Procedure

TMG sprak vervolgens de Staat aan tot schadevergoeding voor de periode waarin de onpersoonlijke geschriftenbescherming ten onrechte was gehandhaafd. De Staat voerde als verweer dat de vorderingen van TMG waren verjaard op basis van art. 3:310 lid 1 BW. Er was immers meer dan vijf jaar verstreken sinds de eerste schade in 1998 /1999 en de datum waarop TMG de Staat aansprakelijk stelde, namelijk 21 september 2012. Dit verweer werd door de rechtbank en het hof gehonoreerd. Daarbij oordeelde het hof onder meer dat de implementatiefout van de Staat een eenmalige gebeurtenis was, waardoor de verjaringstermijn niet telkens weer begon te lopen na iedere dag waarop de Staat daarna naliet de Databankenrichtlijn alsnog juist te implementeren. De Staat stelde dat de verjaring moet gaan lopen op het moment dat de onjuiste implementatie in werking is getreden, aangezien zich alleen op het moment van implementatie een onrechtmatige daad voordoet.

Oordeel Hoge Raad

TMG is tegen dit oordeel in cassatie gegaan en heeft betoogd dat de implementatiefout van de Staat een voortdurende onrechtmatige gedraging is, waardoor de verjaring volgens TMG iedere dag weer opnieuw zou moeten gaan lopen totdat de implementatiefout is hersteld. De Hoge Raad oordeelt nu dat niet alleen het invoeren, maar ook het in stand houden van onrechtmatige wetgeving een onrechtmatige daad vormt. De Hoge Raad overweegt dat de Staat de plicht heeft om Europese richtlijnen correct te implementeren. Het nalaten van die plicht is onrechtmatig, evenals het later niet alsnog juist implementeren. Iedere dag dat niet juist geïmplementeerd is, vindt daarom een zelfstandige onrechtmatige daad van de Staat plaats, waardoor daarop gegronde vorderingen afzonderlijk (per dag) verjaren. De verjaringstermijn begint daarmee niet elke dag opnieuw te lopen zoals TMG stelde. De schadevergoedingsvorderingen die betrekking hebben op de periode van vijf jaar voorafgaand aan de aansprakelijkstelling van 21 september 2012 zijn dus niet verjaard, de vorderingen van voor die termijn wel.