10 september 2014

Helderheid over einde schuldeisersverzuim

Als een schuldeiser een schuldenaar belet zijn verbintenis na te komen, is er sprake van schuldeisersverzuim. De schuldenaar kan dan niet in verzuim raken. Uit een recente uitspraak van de Hoge Raad volgt dat het schuldeisersverzuim en de gevolgen daarvan pas eindigen zodra de schuldenaar in redelijkheid weer kan nakomen. Dit betekent dat als een schuldenaar niet kan nakomen doordat de schuldeiser niet de medewerking verleent die daarvoor noodzakelijk is, het schuldeisersverzuim niet per se eindigt op het moment waarop de schuldeiser weer bereid is mee te werken. Rekening moet worden gehouden met de termijn die de schuldenaar redelijkerwijs nodig heeft om na te komen. Voor schuldeisers die in verzuim raken is het dus van belang te weten dat die staat van verzuim pas eindigt als zij de verhinderingen voor nakoming hebben opgeheven én de schuldenaar in redelijkheid weer aan zijn verplichtingen kan voldoen. Wanneer dat precies is, zal telkens afhangen van de omstandigheden van het geval.

Schuldeisersverzuim doet zich onder meer voor als de schuldeiser niet de medewerking verleent die noodzakelijk is voor de schuldenaar om zijn verbintenis na te komen. Tijdens het schuldeisersverzuim kan de schuldenaar niet in verzuim raken, en wordt de aansprakelijkheid van de schuldenaar aanzienlijk verlicht. Het schuldeisersverzuim eindigt als de schuldeiser alsnog zijn medewerking verleent, waardoor de schuldenaar geen belemmering meer ondervindt bij het nakomen van de verbintenis.

In de uitspraak van de Hoge Raad van 11 juli 2014 stond de vraag centraal wanneer het schuldeisersverzuim in een dergelijk geval precies eindigt. Het ging om de verkoop van een perceel bouwgrond (opgedeeld in vier kavels) door Sepeba B.V. aan Rito Holding B.V. De bedoeling was dat Sepeba de kavels aan derden zou doorverkopen en dat Rito bij verkoop van een kavel door Sepeba aan een derde, zou meewerken aan de levering. Bij de verkoop van een van de kavels verleende Rito die medewerking niet, waardoor Sepeba de kavel niet aan de derde-koper kon leveren.

Op enig moment was Rito wel weer bereid tot medewerking en rees de vraag wanneer het schuldeisersverzuim van Rito eindigde: was dat op het moment dat Rito te kennen gaf weer tot medewerking bereid te zijn, of op een later moment? De Hoge Raad overwoog – kort gezegd – dat bij de beoordeling wanneer het schuldeisersverzuim eindigt, rekening moet worden gehouden met eventuele voorbereidingstijd die de schuldenaar redelijkerwijs nodig heeft om na te kunnen komen. In dit geval moest Sepeba nog voorbereidingen treffen voordat daadwerkelijk aan de derde-koper geleverd zou kunnen worden. Sepeba moest bijvoorbeeld een transportdatum met de derde-koper en de notaris afstemmen, en moest ook een termijn van 30 dagen in acht nemen om Rito van de voorgenomen transportdatum op de hoogte te stellen. De Hoge Raad oordeelde dat Sepeba redelijkerwijs niet eerder het perceel aan de derde-koper zou kunnen leveren dan 35 dagen nadat Rito te kennen had gegeven weer te willen meewerken. Pas na verloop van deze 35-dagentermijn bestond geen beletsel meer voor nakoming door Sepeba, zodat pas toen de gevolgen van het schuldeisersverzuim eindigden.

Uit de uitspraak van de Hoge Raad blijkt dat het moment waarop de schuldeiser weer bereid is tot medewerking niet altijd bepalend is om vast te stellen wanneer het schuldeisersverzuim eindigt. Schuldeisers in verzuim moeten er rekening mee houden dat hun verzuim pas eindigt zodra de schuldenaar redelijkerwijs weer kan nakomen, en dat zij de gevolgen van dat verzuim dus niet geheel in eigen hand hebben.

We keep track of you on our site with cookies, in order to offer the basic functionality of the website and generate user statistics on an anonymous basis to make our website more user-friendly. We do not use or share your data with third parties for advertising purposes.
Accept cookiesChange cookiesClick here for more information about our cookies.